24 februari 2012

Recept voor een goede speluitleg

Een speluitleg, dat moet als een recept zijn. Zowel van opbouw als van stijl. En hoe gebruik je een recept? Je schrijft het ingrediëntenlijstje over op een boodschappenlijstje, en het recept zelf lees je terwijl je staat te koken.

De opbouw van je uitleg

Ooit meegemaakt? Het hele gamma ingrediënten staat mooi uitgestald, klaar voor gebruik. Je begint met alle groenten te snijden (veel werk!) en water te koken. Je zit halverwege, alles gaat vlot. Maar dan ineens: "Neem twee eieren." Huh?! Waar komen die ineens vandaan? Die staan niet bij de benodigdheden! Hébben we nog eieren? Godver, nee. En nu?!

Frustrerend, hé. Of deze: je zit halverwege en je wilt aan de volgende stap beginnen, maar ineens moet je kokend water bij de hand hebben. Of de aardappelen moesten al gekookt en afgekoeld zijn. Lap!

Twee aandachtspunten, dus. Ten eerste: je materiaallijst moet volledig zijn. De spelbegeleiding moet met dat lijstje naar het materiaalkot kunnen gaan en alles ineens meenemen. Dan moet je halverwege het spel je groep niet in de steek laten om nog iets te gaan halen. Als je een paar kilometer verderop in het bos zit, is dat trouwens niet evident. En als er op voorhand al iets moet gebeuren met dat materiaal zet je dat er het beste ineens bij: voor een spel met een krantenknuppel vermeld je een krantenknuppel, niet een krant en plakband.

En ten tweede: je uitleg moet chronologisch zijn, en netjes gestructureerd. Bij het doel van het spel moet je niet uitleggen hoe ze dat moeten bereiken. Dus: “We moeten de draak verslaan.” Of: “Het is de bedoeling dat de deelnemers zo leren samenwerken.” Niet: “Aan de posten krijg je kaartjes die je moet inruilen voor dit en waar je achteraf dat mee moet doen.” Bij de uitleg over opdrachten in het kamp moet ook je niet beschrijven hoe ze aan de leventjes moeten komen om aan die opdracht te mogen beginnen. De manier waarop ze aan de leventjes moeten komen, moet je niet ingewikkeld maken door erbij te zeggen waar ze voor zullen dienen. En halverwege de uitleg kom je niet op de proppen met dingen die je op voorhand al moest doen.

Vergelijk het met de regels van een gezelschapsspel. Daarin staat eerst hoe je het spelbord moet klaarzetten, waar alle pionnen moeten staan, wat elke speler nodig heeft en hoe je bepaalt wie er mag beginnen. Dan volgt de eigenlijke uitleg, per spelfase. De titeltjes maken het makkelijk om snel nog eens op te zoeken wat er gebeurt wanneer er twee pionnen op hetzelfde vak terechtkomen, wanneer het spel ten einde is, en hoe je de punten moet tellen.

Dus:
  • Materiaal
  • Wat moet je op voorhand doen?
  • Wat moet je klaarzetten, en hoe? Hoe moet de groep ingedeeld zijn?
  • Wat is het doel van het spel? Dat bestaat uit één of twee, máximaal drie zinnen.
  • Hoe verloopt het - chronologisch en per fase?
  • Wanneer is de activiteit ten einde, en hoe rond je af?

De stijl

Een speluitleg moet niet alleen als een recept opgebouwd zijn, je schrijft ook het beste in dezelfde stijl. Dikwijls zijn mensen bang om bazig over te komen, heb ik de indruk, en ze willen ook de creativiteit van de lezers niet in de weg staan. Dat leidt tot twijfelstijl: “Je kunt dit, maar je kunt ook dat. Eventueel kun je nog iets anders. Of een tip: je kunt ook ...”

Eens je tekst op papier staat, moet je hem eens herlezen en overal ‘kan’, ‘kunt’ en ‘eventueel’ schrappen. In een recept staat er ook niet: “Je kunt eventueel wat zout toevoegen, of als je dat liever hebt, kun je een kruidenmengeling gebruiken.” Er staat: “Kruid met peper en zout.” Mag dat niet van de dokter of gebruik je liever iets anders, neem je dan aanstoot aan die tekst? Natuurlijk niet. Het is een recept – niet meer en niet minder. Wil je nog iets aan je gerecht toevoegen dat niet vermeld wordt? Dan doe je dat toch gewoon. Om dezelfde reden schrap ik trouwens zoveel mogelijk nietszeggende toevoegingen als “je mag ook altijd zelf nog opdrachten verzinnen”. Als ze dat willen, dan zullen ze dat uit zichzelf wel doen.

Welk vertelstandpunt neem je in?

Beschrijf wat er allemaal moet gebeuren tijdens de activiteit.
Speler A loopt naar punt B, voert daar handeling C uit, en tikt uiteindelijk speler D.
Beschrijf wie wat moet doen, zowel bij de activiteit zelf als bij de uitleg.
De spelleiding stelt de twee ploegen op achter de lijn, en geeft het startsein. De eerste van elke ploeg moet dan naar punt B lopen, daar handeling C uitvoeren, en uiteindelijk de volgende aantikken.
Geef concrete aanwijzingen aan de spelleiding.
Stel de ploegen op achter de lijn. Leg uit dat de eerste van elke ploeg naar punt B moet lopen, daar handeling C uitvoeren, en dan de volgende aantikken. Geef dan het startsein.
Of geef de uitleg zoals de spelleiding die moet geven.
Je staat in twee rijen achter elkaar. Na het startsein mag de eerste vertrekken. Die loopt naar punt B, voert daar handeling C uit, en keert dan terug om de volgende te tikken.
Welke vorm is de beste? Dat hangt van het spel af. Soms moet je zelfs eens één en ander uitproberen voor je kunt inschatten wat het duidelijkst is. Soms kan het zelfs het beste zijn om een combinatie te maken. In ieder geval moet je ervoor zorgen dat je tekst duidelijk is, en liefst zo bondig mogelijk. Gebruik zo weinig mogelijk bijzinnen. Verplicht jezelf te schrappen en te herschrijven!

DUS NIET: De leiding zegt dat de eerste in de rij een zin moet doorzeggen aan de volgende, die ze dan weer doorzegt aan de volgende, en zo verder tot bij de laatste, die de zin luidop moet zeggen.

MAAR WEL: De eerste in de rij moet een zin doorzeggen aan de volgende. Die zegt ze ook weer door aan de volgende, en zo verder. De laatste in de rij moet de zin luidop zeggen.

Heb je er trouwens op gelet? Ik gaf je vier mogelijkheden voor je vertelstandpunt, maar zonder ‘je kunt’ of ‘eventueel’. Veel directer, veel vlotter, en met hetzelfde resultaat: dat jij toch kiest wat jou het beste uitkomt.

Geef het kind een naam

Zodra je meer dan twee personen hebt, of meer dan twee gelijksoortige voorwerpen, gebruik je het beste concrete aanduidingen. De ene kan iets meebrengen voor de andere, maar wat moet je doen met nog iemand anders? De eerste brengt iets mee voor de tweede, en de derde doet iets anders? Het kan, maar het is niet helemaal dat. Frederik brengt iets mee voor Hilde, en Veronique is de hond in het kegelspel, dat is al iets duidelijker. Dat maakt het ook makkelijker als die mensen wat later nog iets anders moeten doen. ‘Eén iemand van de ene ploeg komt naar voren en neemt het op tegen iemand van de andere ploeg’, dat is veel te omslachtig en veel te afstandelijk. Dat is dus niets voor een activiteit in het jeugdwerk.
Voor ploegen geldt hetzelfde. Ploeg A start in het veld, ploeg B aan de zijlijn. Zo moeilijk is dat. Heb je een moeilijker opstelling, gebruik dan zoveel mogelijk een tekening om duidelijk te maken wat je bedoelt. Eén beeld zegt evenveel als 1000 woorden, dus ga maar na wat dat scheelt aan drukkosten!

Geef geen nietszeggende instructies

Hou de veiligheid in het oog. Hou de sfeer in de groep in het oog. Of nog erger: zorg voor een goede sfeer in de groep. Hopla, zomaar. Ik wil het je wel eens zien doen. Start!

Veiligheid is natuurlijk belangrijk, maar als je een risico ziet, moet je het benoemen: “Let op dat ze niet te ruw worden, anders doen ze elkaar pijn.”

Ploegen en groepen

Een ploeg veronderstelt samenhang, een groep niet. Toch blijft een afdeling een groep. Je kunt die wel in ploegen verdelen (ploegleden hebben een gemeenschappelijk doel, en dat maakt hen tot een ploeg), en je kunt ook aan ploegvorming doen. Ploeg gebruik je dus bij competitie en als er aan de onderlinge verstandhouding gewerkt wordt.

'Gasten' en 'mannen' is spreektaal. In het Standaardnederlands hebben die woorden een heel andere betekenis. Spreek over de leden, of gebruik de naam van de afdeling. 'Kinderen' kan ook nog, 'jongeren' ligt moeilijker.

Veelgebruikte woorden en uitdrukkingen

  • om de beurt of om beurten
  • Wie als eerste aankomt, heeft gewonnen of is de winnaar.
  • Het doel van het spel... / Het is belangrijk dat ... / De winnaar is degene die ... / De bedoeling is ...
  • om het eerste, om het verst
  • “De leiding moet ...” of “de leiding doet ...”. Niet: “Als leiding is het je taak ...”, want dat is fout. Je hebt die taak, of als leiding moet/doe je iets.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen